gedachten over veerkracht.

Veerkracht. Bij dat woord zie ik zo’n veertje voor me dat door de lucht waait. Ik associeer het met vliegen, zweven, in de lucht zijn. Of met een trampoline. Springen, de kracht om steeds weer omhoog te komen. De kracht om steeds weer groot te worden. Om elke keer de moed te hebben om weer op te staan. Om je vanuit het diepste dal op te richten en te gaan vliegen. Zoiets.

En ja, dat is denk ik een deel van het verhaal.

Maar ineens zag ik het van de andere kant. Ik moest denken aan zo’n veertje in een pen, dat je in kunt drukken. En aan woorden die Annemiek Schrijver laatst ergens liet vallen: de kracht om te buigen.

Misschien gaat veerkracht niet alleen over de kracht om groter te worden, je te strekken, weer op te staan. Misschien gaat het minstens zoveel over de kracht om steeds weer klein te worden. Telkens opnieuw.

Of misschien moet ik zeggen: om je klein te láten worden. Om je af en toe kaal te laten schrapen door het leven. Om het even niet te weten. Erkennen dat je de touwtjes heel vaak ook níet in handen hebt. Om je te laten vloeren door iets dat je raakt. Jezelf tot een bolletje op te rollen en troost te zoeken. Jezelf over te geven.

Klein durven zijn – ongeacht hoe groot je het moment daarvoor nog was, hoezeer je alles zojuist nog onder controle had, ongeacht tot welke heerlijke dingen je gisteren nog in staat was. Accepteren dat er na groot zijn weer een tijd is om klein te zijn. Ik geloof dat daar minstens zoveel kracht en moed voor nodig is.

Ik moet denken aan dat gedicht van Catharina Visser, dat ik inmiddels uit mijn hoofd ken:

Wij zijn kleiner dan wij zijn.
Zoveel gaven laten rusten
zoveel liefde niet gedeeld
zoveel warmte ingehouden
zoveel tederheid verspeeld.
Zoveel angst en zorg verzwegen
zoveel aandacht niet beloond
zoveel zwijgen niet begrepen
zoveel eerbied niet getoond.

Groter zijn wij dan wij zijn.
Wat verhindert ons te leven
wat weerhoudt ons van de dans
zoveel rijkdom om te delen
zoveel innerlijke glans.
Zoveel dromen nog te dromen
zoveel onvermoede kracht
die de geest in ons doet stromen
ons doet uitgaan in de nacht.

Meebewegen met waar het leven je toe uitnodigt. Groot zijn, klein zijn, groot zijn, klein zijn. Steeds opnieuw doorvoelen dat je het allebei bent.

En misschien volgt dan, net als in het gedicht, de mildheid. De zachtheid. Het diepe verlangen naar verbinding, naar vrede, naar heelheid, eenheid. Het verlangen om anderen te zien, echt te zien. Omdat ze hetzelfde zijn als wij. Omdat we onszelf niet meer hoeven te meten aan de ander. Omdat hoe groot we zijn en hoe klein we zijn, als één waarheid door ons heen ademen.

Liever zijn wij dan wij zijn.
Laten wij de rotsen breken
in het steenland van de trots
Mededogen welt in beken
uit de altijd milde bron.
Echte aandacht voor de ander
schouwen in ‘t verborgen licht
handen reiken, ruimte scheppen
als de vrede is ontwricht.

4 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Translate »