Over een veld en hoe alles samenvalt.

Ik zit buiten met mijn kopje koffie. In de zon. Tranen in mijn ogen. Ineens raakt het me. Alles. Hoe alles met elkaar verbonden is. Hoe alles in elkaar overloopt. Vanochtend struinde ik langs het water en zong ik zinnetjes van een liedje van Birdtalker: 

“Underneath what’s detectable with eyes
Every particle’s vibrating with the same life”

“Beyond the land of the right, the land of the wrong
There’s a field waiting for us
All the notions of you, the notions of me
we finally agree, don’t mean a thing”

En ik denk aan Elizabeth Gilbert, die schrijft over hoe inspiratie rondwaait, om ons heen cirkelt en zich aan ons verbindt. Noem het de Heilige Geest. Of niet. Maar ik zie het gebeuren. Ik zie het zo ontzettend gebeuren. Die keer dat ik een gedichtje schreef, er een kaart van maakte. Een vrouw zag de kaart in een winkel, kocht die. Zocht mij op op social media, stuurde een berichtje. Ik besloot mindfulness bij haar te volgen. Aan het eind van de training kregen we allemaal een kaart en de opdracht om ‘m aan onszelf te schrijven. Precies die kaart natuurlijk, met dat ene gedichtje. Hij viel vorige week in mijn brievenbus.

Een paar maanden later. Een koffietentje uit Groningen vraagt of ze een gedichtje van mij mogen delen op social media. Natuurlijk. Het is het koffietentje waar ik zo graag kom, met uitzicht op het park. Een paar weken geleden zat ik er nog met een vriendin. Het was zo’n mooi gesprek. Alsof er meer ruimte was dan normaal. Ik denk dat we iets van dat veld proefden, waar Birdtalker het over heeft. Of eigenlijk Rumi:

“Out beyond ideas of wrongdoing
and rightdoing there is a field.
I’ll meet you there.
When the soul lies down in that grass
the world is too full to talk about.”

We hadden het over angst, pijn, hoop. De kerk. Afscheid. Onzekerheid. Hoop. Alles wat zij niet weet. Alles wat ik niet weet.

En volgende week zit ik weer in dat koffietentje. Met een andere vriendin. Een vriendin die laatst op haar website een linkje naar dit artikel deelde, van Nazmiye Oral. Waarin het precies gaat over dat zinnetje van Rumi, dat zinnetje hierboven. Over contact, zonder verwachtingen. Gisteren las ik het, ik kreeg een brok in mijn keel. Het raakte aan alles. Een stukje eruit:

“Dat veld is zo ruim, daar blijkt dat mijn hart en mijn hele wezen zo veel aankunnen, zo in zichzelf al gevuld zijn met de aanwezigheid van alles, en daar op dat moment, waar jij jij mag zijn en ik ik, daar is gek genoeg de grote angst voor het ontbreken van een band, en tóch is daar de diepste en grootste intimiteit. […] Waar jij jij mag zijn, en ik ik, daar is de diepste intimiteit.”

Ik denk aan alles wat ik daar de afgelopen maanden over las en leerde en oefende. En hoe het me vrijer maakt. Zoveel vrijer.

Eerder moest ik zoveel mogelijk zelfvertrouwen en energie opsparen om bij mensen op visite te kunnen. Ik had het hard nodig, want hoe kon ik anders mijn altijd-vriendelijke zelf zijn en alle verschillen tussen mij en de ander overbruggen? En nu hoeft dat niet meer. Als ik ik mag zijn, en de ander de ander, dan hoef ik niks meer te overbruggen. Een vriendin confronteerde me afgelopen weekend met de vraag: Moet je begrepen worden om geaccepteerd te kunnen worden?

En dat leer ik nu dus. Ik ging er altijd vanuit dat dat zo was, dat ik alleen echt welkom ben als de ander mij begrijpt. En dat ik de ander moet begrijpen. Dat er dan pas iets van connectie kan ontstaan. Maar nu dat niet zo blijkt te zijn… wat een vrijheid.

Neem nou gisteravond. Ik was op een willekeurige camping in de buurt van Assen, onder de luifel van een caravan van twee mensen van bijna zeventig. Mensen van de kerk. Nu ken ik hen wel een beetje, maar eigenlijk toch ook weer niet zo heel goed. De uitnodiging voor een kopje koffie stond al lang open, maar blijkbaar was dit het moment. Er waren genoeg smoesjes om de uitnodiging af te slaan, ik had prima nee kunnen zeggen. Maar ik had ze niet meer nodig. Want het kon gewoon.

Ik kon daar gewoon zijn. Hun verhaal horen. Mijn verhaal vertellen. Getuige zijn van elkaar. In elkaars aanwezigheid zijn. Ik hoefde niks te bewijzen. Ik hoefde niks hoog te houden. Ik hoefde geen stiltes op te vullen. Niet omdat er geen stiltes waren, maar omdat de stiltes al vol genoeg waren. Die ene bijvoorbeeld, toen het al donker geworden was, en het kaarsje op de campingtafel schaduwen maakte op de caravan. Hoe de schaduw van het bosje bloempjes heen en weer wiebelde. We zeiden niks. En ik dacht alleen maar: Kijk, God is hier ook. Nu. Wat een heilig moment.

En dat is het dus. Leven. God. Overal, altijd. In de stiltes. In de gesprekken. In de pijn, de kwetsbaarheid, de schaduwen. In de kracht, de vreugde, de bloemen. In ons. In dat veld, voorbij onze ideeën over goed en fout. Dat open veld met een caravan, een luifel en drie klapstoelen.

10 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Translate »