over kleurpotloden, thuiskomen en toevertrouwen.

Vertrouw je toe aan dit moment,
verlaat de wegen die je kent,
maak wie je bent tot je kompas,
niet wie je worden wil of was.

– Hein Stufkens

Ik zit hier, aan mijn bureau, op mijn fijne werkplek in de stad. Naast me liggen nieuwe kleurpotloden, ik zocht ze gisteren met veel zorg uit. Het werden er per ongeluk een heleboel, maar de kleuren passen onverwacht prachtig bij elkaar. Elke keer als ik ze zie liggen, geniet ik er even van. Mooie warme, diepe, rijke kleuren.

Zo voelt het leven. Diepe, warme, verzadigde tinten in de alledaagse dingen. Die potloden, ik weet het, je zou kunnen zeggen dat het maar potloden zijn. Dat ze niet het doel op zich zijn, maar een doel dienen, een functie hebben, een middel zijn. Zoals veel van de alledaagse dingen niet het doel op zich lijken te zijn. En toch brengen ze vreugde.

Mijn leven lijkt op dezelfde manier te gaan. Ik fiets naar mijn werk. Ik hang was op. Ik maak een wandeling. Ik teken. Ik bel met een vriendin. Ik zet koffie. Ik maak me druk om iets kleins. Ik eet boterhammen in het bos. Ik maak een foto van iets moois waar mijn oog op valt. Ik zeg nee tegen een opdracht. Ik steek een kaars aan in een kerk. Ik stuur kaarten naar de drukker. Ik snijd groente. Ik schrijf in mijn dagboek. Ik vind de stilte. Ik verstuur een mail. Ik geef de planten water. Ik denk na over belangrijke en onbelangrijke dingen. Ik lees een boek uit. Ik koop kleurpotloden.

Zo alledaags. Waar is de climax? Waar gaat het heen? Waar doe ik het voor? Ik weet het niet, maar ik weet wel dat het genoeg is. Het voelt zoals die potloden: verzadigd. Boordevol kleur, warmte, leven. Elke tint staat op zichzelf, en toch. Ik koester hoe ze combineren, hoe ze samenkomen. Hoe er iets lichts is en iets donkers en iets dieps en iets luchtigs. Hoe sommige tinten op elkaar lijken, maar als je goed kijkt, toch heel subtiel van elkaar verschillen. En hoe bij andere het contrast niet groter kan, maar ze elkaar in balans houden.

Ik geniet van alle verschillende schakeringen, zo rijk.

Ik voel me thuis – steeds vaker, steeds opnieuw. Thuis bij mezelf. Thuis in mijn leven, hoe het nu is. Nee, niet elk moment. Maar het is alsof ik minder ver afdwaal van een kern. Alsof ik sneller de weg terug weet te vinden. Alsof ik – zelfs als ik iets nieuws doe, iets engs, iets moeilijks, iets risicovols – mezelf niet meer zo snel écht kwijt raak. Ik durf mezelf beter te vertrouwen. Ik voel beter aan wanneer ik voorzichtig met mezelf moet zijn, wanneer ik een stapje terug moet doen, mezelf moet beschermen of voeden. Wanneer ik terug moet naar de kern, de basis, de rust.

En vanuit die rust is er zoveel te beleven, zoveel te genieten, zoveel te ontdekken. Er hoeft minder, er mag meer. De dingen voelen lichter en dieper tegelijk. En hoe meer ik durf te rusten, me over durf te geven, me toe durf te vertrouwen aan dit moment, hoe meer er te voelen valt. Alles lijkt er toe te doen. Mijn hart gloeit vaker. Ik vind mezelf met tranen in mijn ogen om de grootsheid van de kleinste dingen. Ik heb heus wel vragen, onzekerheden, twijfels, ik zie waar het botst, wat er schuurt. In mezelf en in de wereld. Maar ik voel beter aan wat nu mijn aandacht nodig heeft, aan welke dingen ik me mag geven, en wat voor later is.

Er is niet zoveel nodig. Alles wat er nu is, wie ik nu ben.
Dit is het, en het is genoeg.

2 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Translate »